 |
Duiker bracht zijn architectonische opvattingen niet alleen tot leven
in gebouwen, hij verspreidde ze ook in geschriften. Al bleef hij terughoudend
in het beschrijven van eigen werk. Zo kan men uit zijn publicaties
toch veel te weten komen over het standpunt dat hij als architect innam.
Het veertiendaags tijdschrift 'De 8 en Opbouw' ontwikkelde zich tot
zijn belangrijkste spreekbuis. Hield zijn compagnon Bijvoet zich volgens
een tijdgenoot bezig met visie en esthetische opzet, Duiker beschouwde
architectuur als wetenschap. Voor menigeen van de huidige generatie
die een saus van sentiment, nostalgie en retrostijlen over onze steden
gooit, een verademing. Duiker in 1933: 'Nu zijn we er: er moest een
architectuurwetenschap ontstaan, een wetenschap die behalve gewone
technische, wiskundige en natuurkundige vakken, ook de medische, filosofische,
economische, biologische enz. bevat, dan durfde tenminste die vervelende
krantenman of iedere willekeurige principaal ook niet meer zijn mond
open te doen. Hij kon dan nog wel zeggen: "ik vind het niet mooi",
maar die uitspraak zou ons even koud laten als die van den patiënt
dat hij zijn drankje niet lust. Bij den dokter durft hij immers ook
niet weg te blijven. Deze architectuurwetenschap zou wel natuurlijke
historie, maar vooral geen kunsthistorie mogen omvatten en geen boetseren,
geen ornamentenleer geen architectonische vormleer, geen decoratieve
kunst.' Zeventig jaar na dato bestaat architectuur nog steeds uit boetseerwerk,
ornamenten, decoratie en andere onoprechtheden.
|
 |